Waarom ik niet zo gebeten ben van de “sport” microbe…

media_xll_8299106Heel wat van mijn vrienden houden van sport, meestal wielrennen of voetbal. Als ik er dan iets durf over te zeggen krijg ik onmiddellijk het verwijt: wat ken jij ervan, nochtans er was een tijd …

Als jong ventje keek ik uit naar de momenten waarop ik mee mocht gaan met “nonkel Raf” bij de buren, naar de Ronde van Frankrijk gaan kijken. Het was er steeds een klein volksfeestje, de bakken “Stella-Artois” werden rijkelijk aangebracht en hoewel ik geen bier dronk uiteraard, genoot ik wel van de ambiance. De heroïsche ontsnappingen van Eddy Merckx, Herman Van Springel, Raymond Poulidor, de eeuwige tweede, het waren de wieleridolen uit mijn prille jeugd. Alle etappes waren nog in zwart/wit en het beeld ging af en toe eens weg maar de commentaar van Fred De Bruyne zal me altijd bijblijven. Ja ik speelde ze zelfs na op mijn kleine fietsje, ik was gelukkig en had ook heel veel ruimte om te spelen. Het was een mooie kindertijd maar wist ik veel dat het van korte duur zou zijn …

Ik was pas zeven toen ik mijn thuis moest achterlaten en plots in de stad moest gaan wonen. In één klap woonde ik in een huisje met acht samen, allemaal vreemdelingen, alles nieuw, ik snapte er niks van, wat deed ik fout, wat ging er mis. In werkelijkheid was het zo dat mijn moeder hertrouwd was intussen, met een 20-jaar oudere man, om zo al haar kinderen terug onder één dak te krijgen. De man Gentil genaamd, viel niet echt tegen, hij kocht mij zelf een koersfietsje…

Helaas voelde ik mij wel niet thuis in deze vreemde omgeving en toen Anna mijn pleegmoeder (van den boerenbuiten) langskwam en al wenend voor de deur stond, had ik mijn kleertjes al samengeraapt en stond klaar om weer naar huis te keren, naar Poesele.

Wat ik niet wist, was de waarheid… De werkelijkheid was dat Anna en Moeke in Poesele, het niet konden gewoon worden zonder mij, ze zagen me echt graag en mijn moeder stond dus toe dat ik nog één jaartje terug mocht gaan, om af te kicken laat ons het zo noemen…

Het jaar ging snel voorbij en zelfs als kind voel je dat er iets veranderd is, dat de toestand niet maar was zoals voorheen, dat het kind zijn langzaam wegvloeide uit mijn lichaam, ik moest er leren mee leven. Toen ik terug in Gent woonde ging het van kwaad naar erger…

Ik had plots een moeder, een vader, vier broers en een zus, ik kende hen van haar nog pluimen, moest plots alles delen met hen. Een slaapkamer, de ruimte aan de ontbijttafel, de gesprekken, het was aanpassen. Een andere school, waar ik niemand kende, plots meesters ipv “nonnekes”, te voet naar school door de ‘grote stad’, ik had heimwee maar er was geen tijd om na te denken.

Mijn moeder had maar één meisje (dochter dus), mijn zus en ze was, naar mijn gevoel toch, wel haar lieveling. Iedereen was ouder, ik was de jongste en werd nooit echt betrokken bij het gezin, ik was de bijgekomen snotaap, weet je. Het duurde dan ook niet lang, met het stevig karaktertje van mij, of ik groeide uit tot de rebel. Als je de kleinste bent en je was gewoon aandacht te krijgen en die viel plots weg… moet je aandacht opeisen dat is (kind) logica niet?
Mijn zus en moeder werden zowat mijn vijanden of diegene waar ik mijn pijlen moest op richten. Eén broer, Roland, helaas de enige die nu al overleden is, viel best nog mee. Hij verdedigde mijn houding af en toe, maar hoe meer de jaren verstreken, hoe minder broers ik nog zag in huis…

Mijn stiefvader Gentil, was intussen “zo gek als een achterdeur geworden”, wat ik niet begreep als kind was, dat de man aderverkalking hadt gekregen en zijn hersenen al behoorlijk waren aangetast. De ruzies wanneer de oudere broers en de stiefvader samen waren, werden steeds grimmiger en voor ik het wist werd ik geconfronteerd met de eerste politie tussenkomsten aan huis, dit was nieuw. Maar toen stiefvader en één van de oudere broers met messen tegenover elkaar stonden, was dit de beste oplossing wellicht.

Op mijn twaalf kon moeder het niet meer aan, ik moest weg, ik vloog eerst in een “vakantiekamp”, waar ik echt niet buiten kon en mocht en waar zelfs een afzondering cel was… Maar opnieuw zou ik mij aanpassen. Na de schoolvakantie werd ik ‘geplaatst’ onder toezicht van de jeugdrechtbank vloog ik naar Vremde, bij de ‘paters’…

Mijn vroegere schoolresultaten, altijd de eerste of de tweede van de klas, waren intussen verleden tijd, ik hield niet langer van leren, mijn obsessie was “vrijheid” geworden. De vrijheid die ik zo miste van den boerenbuiten, van het rijden op de rug van varkens in de modder, van spelen met mijn Duitse herdershond Rex, van wie ik alles gedaan kon krijgen, van de pony waar ik op kon rijden, van de zelf gemaakte schommel in de boomgaard, alles was verdwenen, ik huilde, huilde bittere tranen en voor het eerst begon ik mensen te haten in stilte…

Eens in de veertien dagen mocht ik op weekend… Maar de zondag om 16u was ik al verplicht met de bus aan de vrijdagsmarkt in Gent, richting Antwerpen terug te keren, wat haatte ik Antwerpen … Aangekomen op het internaat (lees gevang), rond 20u stond er een nieuwe kater klaar… Leven in een grote groep, geen privacy, geen rust, alleen maar sportweekend op tv en vervelende opvoeders/paters pfff, het veranderde mij compleet, weg naïef mannetje, weg kind, welkom in de harde werkelijkheid.

Een werkelijkheid waarbij één van de paters mij apart riep op een dag en zich boven op mij wrong met al zijn krachten en zijn zwaar lijf. Aan mijn oor begon te likken en met zijn hand naar mijn kruis ging. Ik stampte en sloeg overal waar ik maar kon en raakte los, kon weglopen, maar was geraakt, geraakt ergens waar het nooit meer goed zou komen, geraakt aan mijn vertrouwen in mensen.

Mijn hekel aan voetbal kreeg ik daar ook cadeau want wij werden verplicht te gaan voetballen van één van de “macho paters”. Er waren twee dingen waar pater “Jackie”, een stoere bink van meer dan 100 kg schat ik, gek van was en dat was boksen en voetbal. Het boksen gebruikte hij om te tonen dat hij ons kleine mannetjes in de plastic vuilbak kon slaan en het voetbal was al niet veel beter. Liefst liet hij ons spelen op bevroren veld of wanneer het regende. Ik was een (goede) keeper en pater Jackie speelde dan graag mee met de tegenpartij om uit volle kracht recht op mijn billen te sjotten of waar het hem best uitkwam.

Ja op den duur verdween ook die liefde, de liefde voor voetbal… Jammer niet, want nu als ik wil meeleven in de vreugde van het voetbalfeest van onze Rode Duivels lukt het me niet. Ik zou er ook niet bij passen, bij de mensen die uit hun dak gaan voor de goal die net gemaakt werd, bij het uitbundig in groep vieren, ik ben geen groeps- of kuddemens, ik ben een kat (mens). Ik hou van de rust, ik hou van voorspelbaarheid, ik zoek geborgenheid maar kan echt wel genieten van de manier waarop jullie het voetbalfeest ervaren hoor, al is het dan vanop (veilige) afstand! Proficiat Rode Duivels, de katman.

Geef een reactie